GOLDEN-RETRIEVER.NL Historie - Rasstandaard - Code van ethiek    
Welkom bij kennel "van 't Aambeeld"


  Home
  Nieuws
  Kennel
  GRCN
  Onze honden
  Puppies
  foto / video
  Links
  contact


Untitled Document

Historie

 

"De oorsprong van de gele retriever"

door de Graaf van Ilchester

Vertaald door Els van Haaren
(Overgenomen uit Country Life van 25 juli 1952)

Al enige jaren loop ik met het plan rond mijn herinneringen op papier te zetten aan het allereerste begin van de gele retrievers met een golvende vacht, die de laatste jaren in dit land zo talrijk en populair zijn geworden. Tot aan het eind van de vorige eeuw waren zij een zeldzaamheid, en ik ben waarschijnlijk de enige nog in leven zijnde persoon die zich de tweede generatie kan herinneren van het gele ras dat eigendom was van Sir Dudley Coutts Marjoribanks, van het landgoed Guisachan in Invernesshire, Schotland. Sir Dudley, die een broer was van mijn grootmoeder, de weledelgeboren Mrs. John Fox Strangways, werd geboren in 1820, kreeg de tiel Baron Tweedmouth in 1881, en stierf in 1894.

De naam gele retriever was de oorspronkelijke naam van het ras, maar deze werd in latere jaren op grote schaal vervangen door de naam Golden Retriever, een naam bedacht door wijlen Lord Harcourt, nadat hij een of meer puppy's had gekocht van een jachtopziener en nadat hij een aantal van deze honden had gekregen van Lord Tweedmouth, die in de Guisachankennels achterbleven toen deze het landgoed in 1905 of 1906 verkocht. Lord Harcourt begon onmiddelijk met het showen van zijn honden op tentoonstellingen en was ongetwijfeld op zoek naar een nieuwe naam met de bedoeling een nieuwe klasse te creëren, want noch de Tweedmouth- noch de Ilchester-rassen waren ooit geshowd. Eerlijkheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat de Guisachanhonden in de loop der jaren donkerder van kleur waren geworden.

Ook als aan het begin van deze eeuw bestond er verwarring omtrent de oorsprong van het ras. Zwarte Retrievers met een golvende vacht, en in bepaalde kringen in het zuiden van Schotland, zwarte labradors waren zeer populair. Feitelijk waren gele retrievers nauwelijks bekend, behalve bij de leden van de Tweedmouth- en Ilchester-familie en hun naaste vrienden. Hun latere verspreiding over alle delen van het land was ook niet gemakkelijk te voorzien. Het is daarom tamlijk laat om te proberen de feiten op een rijtje te zetten en de waarheid te achterhalen. Maar als ik er nu niet aan begin, gebeurt het wellicht nooit meer en zal het ware verhaal voor altijd verloren gaan.

Gelukkig is één onbetwistbare bron van informatie nog steeds voorhanden. Sir Dudley Marjoribanks hield vanaf 1835 een stamboek bij waarin hij de naam en herkomst noteerde van zijn setters, zijn pointers, zijn greyhounds en zijn spaniels. Het stamboek vermeldt vanaf 1838 gedurende een jaar of twee ook beagles; in 1842 wordt er melding gemaakt van een Retriever, zwart klaarblijkelijk, en in 1852 pas van een volgende. In 1843 worden er Ierse spaniels genoemd en de greyhounds maken voor het eerst plaats voor deerhounds in 1848. In 1854 kocht hij het landgoed Guisachan en vanaf dat moment werden zijn kennels enorm uitgebreid.

Het gaat ons hier echter om Retrievers. De plaatsen waar zij vandaan kwamen werden zorgvuldig genoteerd, maar hun kleur werd niet vermeld. Na 1868 doet dit gemis er nauwelijks toe, omdat de namen van de honden ons al een indicatie geven van datgene wat we willen weten. Dit stamboek is nu in het bezit van Lady Pentland, een kleindochter van Sir Dudley en een dochter van wijlen Lord en Lady Aberdeen, en zij is zo vriendelijk geweest het aan mij beschikbaar te stellen tezamen met andere belangrijke en interessante papieren die verband houden met deze kwestie. Dit alles stelt mij in staat nieuwe feiten te presenteren, welke duidelijk in tegenspraak zijn met bepaalde veronderstellingen die de laatste jaren hebben gecirculeerd, en daarnaast een geheel nieuwe gedachtenlijn te introduceren.

Een van de verhalen is dat Sir Dudley rond het jaar 1868 in Brighton drie gele honden kocht van een hondentrainer bij een rondreizend circus. Deze dieren, ongetwijfeld schaapherdershonden, waren naar men zegt afkomstig uit de Kaukasusregio en een van hen, Nous genaamd, zou zijn meegenomen naar Guisachan en na verloop van tijd de eerste van het gele ras zijn geworden. Ik denk dat iedereen het erover eens zal zijn dat Nous inderdaad geel was en bovendien de eerste. Maar de overtuiging dat een Russische hond aan het begin heeft gestaan van de stam wordt niet gestaafd door data, want Nous verschijnt al in 1865 in het stamboek, waar hij wordt omschreven als "ras van/gefokt door Lord Chichester. Juni, 1864, aangeschaft in Brighton". Hij had geen enkele connectie met Russische honden, als deze al bestonden, aangezien hij reeds enkele jaren op Guisachan verbleef.

Ik moet toegeven dat ik nooit veel geloof had gehecht aan "de Russische mythe", maar er staat in 1868 een uiterst significante vermelding in het stamboek die me doet weifelen. Er verschijnt een mysterieuze hond, "Sancho, April, 1868" aan het eind van de lijst voor dat jaar. Er wordt geen herkomst genoemd - zeer in tegenstelling tot Sir Dudleys normale notities, waarin deze gegevens steeds worden vermeld en jaar na jaar herhaald. Het komt me echter voor dat deze hond weleens een van de Russische honden kan zijn geweest (Sancho lijkt me een goede circusnaam!). En kan het niet zo zijn dat Sir Dudley, in zijn kennels reeds beschikkend over een schitterende hond, Nous genaamd (vous, het Griekse woord voor wijheid), heeft besloten een hond met een soortgelijke kleur te proberen van het circus? Sancho was echter duidelijk een mislukking; zo zeer zelfs dat Sir Dudley nooit de moeite nam zelfs maar een notitie te maken van zijn herkomst. Hij keert ook nooit terug in het boek: en hij heeft zeker nooit enige rol gehad in het fokken van gele retrievers daarna. Deze veronderstelling zou echter het verhaal verklaren, onderschreven door verzorgers jaren later, dat er wel degelijk ooit een Russische hond verscheen op Guisachan. Zij spraken van de komst van Nous in 1868; maar aangezien deze hond toen al op het landgoed verbleef, was Snacho misschien de hond waarover ze spraken. Het is dus duidelijk dat Russische honden voor eens en altijd van de kwestie kunnen worden uitgesloten.

Veel van dit verhaal over de Kaukasus werd echter weer tot leven geroepen in 1911 door de weledele Kolonel William le Poer Trench die een aantal honden bezat afkomstig van Guisachan. Hij beweerde dat zijn stam terugging tot het originele Nous-ras. En dat was goed mogelijk, zelfs waarschijnlijk. Zijn obsessie met dit onderwerp van een Russische kruising leidde hem er echter toe een reis te maken naar de Kaukasus. Daar vertelde men hem dat de honden in dat seizoen van het jaar met de schapen op de hogergelegen gronden waren. Als hij de prijs voor zo'n hond betaalde, zou men er een voor hem gaan zoeken. Hij liet zijn geld achter, maar geen hond die ooit verscheen!

Het stamboek geeft ons simpele feiten. Desondanks is het misschien toch gewenst wat extra kanttekeningen te plaatsen als aanvulling op bovenstaande informatie en om mijn beweringen te staven. Na zijn aanschaf van Guisachan in 1854 heeft Sir Dudley Marjoribanks nooit meer dan vier Retrievers in zijn kennel gehad tot 1866. In 1863 echter kreeg hij Tweed, "Ladykirk ras, 1862" van zijn familielid David Robertson, parlementslid, die zijn oorspronkelijke naam Marjoribanks in 1834 had veranderd en hier pas weer naar terugkeerde toe hij de titel van "Baron" verwierf in 1873, een week voor hij stierf. Ik zal te zijner tijd op deze honden terugkomen.

In 1865 verschijnt Nous in het boek als zijnde gekocht in het voorafgaande jaar. Er verschijnt een foto van hem, waarschijnlijk genomen in 1872, tezamen met een verzorger op Guisachan, Simon Munro, die het jaar daarop stierf, in Hutchinson's Dog Encyclopedia, pagina 742, die een overduidelijk gele hond laat zien.
Tweed stierf in 1867, ogenschijnlijk nooit gebruikt voor de fokkerij en werd door Mr. Robertson vervangen met Belle, "1863. Ladykirk-ras".

In juni 1868 produceerden Nous en Belle vier gele puppy's, waarvan Sir Dudley er twee hield, Cowslip en Primrose. Van de twee overige gaf hij Crocus aan zijn zoon, Edward Marjoribanks en Ada aan mijn vader. Laatstgenoemde hond was de eerste van de Ilchester-lijn, die verderop in dit artikel apart zal worden besproken.

De ruimte laat het niet toe lange betogen te houden over de verder ontwikkeling van de gele Retrieversoort op Guisachan, maar het is noodzakelijk een nieuwe Tweed te vermelden, gekregen van Mr. Robertson in 1872, aangezien deze reu in 1873 gepaard werd aan Cowslip waaruit Topsy ontstond. In 1874 arriveerde Brass geboren uit mijn vaders hond Ada, maar deze ging naar een verzorger van buitenaf. Jack en Jill, pups van Sampson, een rode setter van Edward Marjoribanks, verschijnen op het toneel in 1875. In 1878 kreeg Sambo (van H. Meux) eerst Zoe, geboren uit de teef Topsy, en tenslotte Sweep, "gefokt door Ilchester". Crocus werd aan Sir Dudley gegeven en zorgde in 1881 voor drie gele puppy's, geboren uit Zoe. Ik heb deze namen gegeven omdat ik hier weer naar zal verwijzen bij de bespreking van het Ladykirk-ras en ook om aan te tonen dat het kruisen van een zwarte reu met een gele teef haast altijd gele puppy's opleverde. Bij een omgekeerde koppeling war er grote kans op enkele zwarte en enkele gele pups. We zagen deze kenmerken ook zeer sterk tot uitdrukking komen in het Ilchester-ras. Na 1890 ongeveer werd op Guisachan de kruising met de bloedhond geïntroduceerd, voornamelijk voor speurdoeleinden en er is ook een duidelijke vermelding, op een los vel papier, van een zandkleurige bloedhond die zou zijn gebruikt.

Ik herinner me niet dat ik als jongen, grootgebracht tussen de honden van mijn vader, of in latere jaren wanneer ik op Guisachan verbleef, ooit veel gehoord heb van het Russische verhaal. Maar wat ik me wel herinner is dat er gesproken werd van een verband tussen waterspaniels en Sir Dudley's gele retrievers.
Zoals ik heb aangetoond vermeldt het stamboek tenminste drie inkruisingen van het Ladykirk-ras. En deze zijn uiterst belangrijk in het geheel, aangezien Belle, de moeder van het essentiële nest gele puppy's, geboren in 1868, er één van was.

Het stamboek zelf bevat geen verdere informatie omtrent het Ladykirk-ras, maar nauw hiermee verbonden is een los vel briefpapier van het landgoed Guisachan, dat Lady Pentland me ook heeft toegestuurd, met notities in Sir Dudley's eigen handschrift, daterend van na 1884. Dit papier bevat een aanwijzing van onschatbare waarde, aangezien het kruisingen beschrijft die hij in zijn Retrieverkennel heeft gebruikt. De eerste notitie luidt als volgt:

"Cowslip, van Nous, geboren uit Belle >
Topsy, geboren uit Cowslip, van Tweed > Tweed waterspaniels
Zoe, geboren uit Topsy, van Sambo". >

Tweed en Belle waren dus Tweed waterspaniels! Maar wat was dat dan voor Tweed-variatie? Er schijnt zelfs grote twijfel te bestaan over hoe een waterspaniel eruit zag in 1868. Niemand schijnt het me te kunnen vertellen. Het Natural History Museum in Londen heeft hier geen gegevens over; maar Dr. Parker, conservator van de afdeling Zoölogie, is zo vriendelijk geweest me een citaat toe te sturen uit Ash, 1927, Dogs, Their History and Development.

...de Engelse waterspaniel, voor het eerst beschreven door Bewick, een
collie-achtige hond, was waarschijnlijk een kruising tussen de ruwharige
waterhond of poedel en de springer spaniel of setter. Tussen de tijd van
Bewick en die van Toplin, afgaande op de illustratie in het werk van Toplin,
was de waterspaniel zo veelvuldig gekruisd met de springer dat dit
resulteerde in een hond van spanieltype, doch met enig behoud van de
krullende vacht van de waterhond.

Dit suggereert wel degelijk een spanielachtige aanpassing; en sommige van de vroegere honden hadden een tamelijk krullende vacht. De Engelse Kennel Club kan me hier niets over vertellen. Ook de Askews, eigenaars van Ladykirk bij Norham aan de Tweed, kunnen me geen enkele informatie verschaffen, hoewel zij hun papieren, foto's, schetsen en afbeeldingen grondig hebben doorzocht. Misschien kan een lezer hulp bieden.

Aangezien ik geen verdere betrouwbare informatie omtrent dit onderewrp tot mijn beschikking heb, keer ik terug naar het Ilchester-ras. Zoals ik heb aangetoond, startte deze in 1868 met Ada, dochter van Nous en Belle en volle zus van Cowslip en de hond van Edward Marjoribanks, Crocus. Deze stam werd door mijn vader verder ontwikkeld volgens methodes die totaal verschillend waren van die welke werden toegepast op Guisachan. Vanaf het begin fokte hij met behulp van zwarte honden.

Ik kan twee foto's laten zien, gemaakt van afbeeldingen, van Ada, een goedgeaarde teef, maar oud en blind zoals ik me haar herinner. Een van mijn vroegste herinneringen is die van mijn vader die op Melbury naar binnen kwam om te lunchen gekweld door een groot aantal wespensteken. Ada was in een nest getrapt, gelukkig op de oever van een vijver, en mijn vader had haar in het water gegooid om haar aanvallers kwijt te raken!
Helaas werd er geen verslag bijgehouden van de manier waaop onze kruisingen werden gearrangeerd. Het is zeker dat in het begin zwarte honden met een golvende vacht werden gebruikt en later, zwarte labradors. Sweep, een gladharige hond, eigendom van Mr. Montaque Guest, verwekte meer dan één nest, en waarschijnlijk de vader van de beste hond van onze tweede generatie, Robin, een eersteklas werker, met een prachtige neus en snuit, en een schitterende waterhond. Na Robin bestaan Retrievernamen slechts in mijn geheugen, zonder vaste volgorde, tot ik aankom bij mijn eigen honden. Zelfs de pogingen van mijn zus en anderen in latere jaren om de oorspronkelijke fokgegevens om te zetten in een stamboom zijn verloren gegaan.

Er werd een teefje van buitenaf aan mijn vader geschonken, waarschijnlijk rond 1895 en ik denk door Lady Breadalbane. Dit waren kleine, roodachtige honden, meestal goede werkers. Maar het waren schuwe fokhonden die weinig puppy's produceerden, en de stam stierf uit. Dat gebeurde ook met onze eigen rassoort in de Eerste Wereldoorlog, toen men zei dat het grootbrengen van puppy's in strijd was met de belangen van het land. Hoe weinig besef hadden we toen! We hadden kruisingen met gele Labrador-stammen van buitenaf; maar nooit, geloof ik, met het ras van Kolonel Eustace Radclyffe van The Hyde, Wareham. Deze honden vormden geloof ik überhaupt een ras op zich, waarvan men zei dat het was gestart door wijlen Lord Lonsdale. We hebben nooit gebruik gemaakt van de bloedhondenlijn, maar omstreeks 1900 hadden we zeker kruisingen met honden van Guisachan die daaraan verwant waren.

Om het een en ander samen te vatten, Nous, de hond van Sir Dudley Marjoribanks, afkomstig van het "ras van Lord Chichester. Gekocht in 1864", wat dat dan ook geweest moge zijn, was de eerste van de gele retrievers. Geen enkele Russische rassoort heeft ooit een rol gespeeld in de Guisachan-stambomen, hoewel het Ladykirk-ras, synoniem aan de Tweed spaniels, er een uiterst belangrijke invloed op had. De kruising van Nous en Belle, een "Ladykirk-teef", produceerde in 1868 het eerste nest gele retrieverpups. Deze puppy's vormden de basis voor de twee aparte rassen gele retrievers met golvende vacht van Tweedmouth en Ilchester, naast elkaar doorwerkend, maar met een zeer verschillende planning en veel gevarieerde vertakkingen.

Tot slot zou ik graag Lady Pentland willen bedanken, zonder wier uitgeleende gegevens ik dit artikel nooit zou hebben kunnen schrijven' Lady Susan en de heer J. Askew, van Ladykirk, voor hun pogingen iets te ontdekken over de Tweed waterspaniels; en Dr. Parker, conservator van de afdeling Zoölogie van het Natural History Museum in South Kensington, Londen, voor zijn hulp.

Wimh Computers & IT-Services  |  ©2024